ECLI:NL:RVS:2021:1657
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- H.J.M. Baldinger
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging identiteit ondanks beroep op Unierechtelijke evenredigheidstoets
Appellante verkreeg in 2009 het Nederlanderschap via medenaturalisatie, maar de staatssecretaris trok dit in 2018 in omdat zij relevante feiten over haar identiteit had verzwegen. Appellante had in 2014 haar persoonsgegevens gewijzigd en verklaard dat degene die zij als moeder had opgegeven feitelijk haar oudere zus was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de intrekking ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel. De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat de verzwijging van identiteit relevant was voor de naturalisatie en dat de intrekking binnen de wettelijke termijn van twaalf jaar plaatsvond.
Appellante voerde aan dat de staatssecretaris de Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling onjuist had toegepast en onvoldoende rekening had gehouden met haar persoonlijke situatie, zoals haar langdurig verblijf, werk, studie en familiebanden in Nederland. De Afdeling stelt echter vast dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij actief gebruik maakte van haar rechten als Unieburger en dat de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap niet disproportioneel zijn.
De Raad van State verwijst naar het arrest Rottmann en het arrest Tjebbes e.a. waarin het Hof van Justitie de criteria voor de evenredigheidstoets heeft uiteengezet. De Afdeling concludeert dat de rechtbank de belangen zorgvuldig heeft afgewogen en de staatssecretaris een deugdelijke beoordeling heeft gemaakt.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap wordt bevestigd omdat de verzwijging van identiteit relevant was en de Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling deugdelijk is toegepast.