ECLI:NL:RVS:2021:1650
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.W.M. Bijloos
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdeling geen afgeleid verblijfsrecht heeft wegens marginale zorg- en opvoedtaken
De vreemdeling, afkomstig uit Nigeria, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij hij stelde dat hij afgeleid verblijfsrecht had als ouder van een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit. De minister van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek af, waarna de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in.
De Raad van State overwoog dat de vreemdeling onvoldoende heeft aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht voor zijn dochter. De rechtbank had ten onrechte de WhatsApp-berichten doorslaggevend geacht, terwijl uit de omgangsregeling bleek dat het zwaartepunt van de zorg bij de moeder ligt. De overige bewijsstukken, waaronder rapporten van jeugdzorg en financiële transacties, toonden slechts beperkte betrokkenheid aan.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond. Het beroep van de vreemdeling werd echter ongegrond verklaard omdat niet was voldaan aan de vereisten voor afgeleid verblijfsrecht. Tevens werd geoordeeld dat het afzien van het horen in bezwaar door de staatssecretaris terecht was. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard.