ECLI:NL:RVS:2021:1601
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Verklaring Omtrent het Gedrag na veroordeling voor plofkraak
Appellant heeft op 1 september 2019 een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) om als pedagogisch medewerker te kunnen werken. De minister voor Rechtsbescherming wees de aanvraag af vanwege een onherroepelijke veroordeling in Duitsland uit 2017 voor medeplegen van plofkraak, een delict met een vermogenscomponent en geweldsaspecten. De minister paste het screeningsprofiel 'gezondheidszorg en welzijn van mens en dier' toe en concludeerde dat het strafbare feit een belemmering vormt voor de functie.
Appellant voerde aan dat de aard van zijn functie en zijn positieve re-integratie en opleiding meewogen voor het verlenen van de VOG. Hij stelde dat het risico op recidive laag is en dat de rechtbank ten onrechte de minister volgde in het oordeel dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan zijn persoonlijke belangen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht het objectieve criterium toepaste, waarbij het risico op diefstal en geweld in de functie relevant is. Ook het subjectieve criterium werd juist beoordeeld: de minister mocht het korte tijdsverloop sinds de voorwaardelijke invrijheidstelling en de zwaarte van het delict meewegen. De positieve persoonlijke ontwikkeling van appellant werd erkend, maar was onvoldoende om het risico voor de samenleving te verwaarlozen.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de VOG bevestigd.