ECLI:NL:RVS:2021:1584
Raad van State
- Hoger beroep
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing ongeldigverklaring rijbewijs wegens drugsgebruik
Het CBR legde aan appellant een onderzoek naar drugsgebruik op en verklaarde zijn rijbewijs ongeldig vanwege vermoedelijk rijden onder invloed van drugs op 8 mei 2018. De rechtbank verklaarde beide besluiten ongegrond, maar appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het CBR terecht een onderzoek kon opleggen op basis van de processen-verbaal, die door verbalisanten op ambtsbelofte en ambtseed waren opgesteld. De door appellant aangevoerde getuigenverklaringen konden onvoldoende objectief tegenbewijs vormen. Ook het sepot van de strafzaak en de teruggave van het rijbewijs door de strafrechter stonden hieraan niet in de weg.
Echter, ten aanzien van de ongeldigverklaring van het rijbewijs stelde de Afdeling vast dat het CBR onvoldoende had gemotiveerd waarom het niet was meegegaan met het duidelijke advies van de psychiater om appellant met een termijnbeperking van een jaar rijgeschikt te verklaren. Het CBR had geen contact gezocht met de psychiater voor nadere toelichting en had het besluit genomen nadat de recidiefvrije periode was verstreken. Daarom werd het besluit vernietigd en moest het CBR een nieuw besluit nemen.
De Afdeling bevestigde het oordeel over het onderzoek, vernietigde het besluit tot ongeldigverklaring en veroordeelde het CBR tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het nieuwe besluit kan alleen bij de Afdeling worden aangevochten.
Uitkomst: Het opleggen van het onderzoek wordt bevestigd, het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt vernietigd en het CBR moet een nieuw besluit nemen.