ECLI:NL:RVS:2021:1509
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- R. Uylenburg
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen dwangsombesluiten wegens illegale grensoverschrijdende afvaloverbrenging
In deze zaak heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellante] drie afzonderlijke lasten onder dwangsom opgelegd wegens illegale grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen in strijd met artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, gelezen in verbinding met de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. De lasten betroffen het niet naleven van kennisgevingsprocedures, het overbrengen van afvalstoffen naar inrichtingen zonder geldige vergunning en het feitelijk niet overeenstemmen van de overgebrachte afvalstoffen met de kennisgeving.
[Appellante] betwistte de besluiten en de invordering van een dwangsom van € 11.250,00, onder meer met argumenten over de juiste classificatie van afvalstoffen, de interpretatie van de bijgevoegde analyses en de vergunningstatus van de ontvangende inrichting. De staatssecretaris handhaafde de besluiten en voerde aan dat de overtredingen herhaaldelijk en gegrond waren vastgesteld door de Inspectie Leefomgeving en Transport en de Duitse bevoegde autoriteiten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de lasten terecht zijn opgelegd en dat het beroep ongegrond is. De Afdeling volgt de staatssecretaris in de uitleg dat de overgebrachte afvalstoffen niet altijd overeenstemmen met de kennisgevingen en dat de ontvangende inrichting niet over de vereiste vergunning beschikte. Ook is de hoogte van de dwangsom proportioneel en in overeenstemming met de financiële zekerheidsstelling uit de EG-verordening. De Afdeling wijst het beroep af en bevestigt de rechtmatigheid van de dwangsombesluiten en de invordering.
Uitkomst: De beroepen tegen de dwangsombesluiten en de invordering worden ongegrond verklaard.