ECLI:NL:RVS:2021:1307
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving recreatiewoningen in strijd met bestemmingsplan Soesterberg
Het college van burgemeester en wethouders van Soest legde aan appellant een last onder dwangsom en bestuursdwang op om het aantal recreatiewoningen op zijn perceel in Soesterberg terug te brengen tot maximaal 31 en vier recreatiewoningen te verwijderen of te verplaatsen die in strijd waren met het bestemmingsplan. Appellant voerde onder meer aan dat het college onredelijk handhavend optrad, dat er zicht was op legalisatie, en dat de belangenafweging niet correct was gemaakt.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college in redelijkheid heeft gehandeld, dat het huidige bestemmingsplan leidend is en dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Ook is de belangenafweging proportioneel en is de begunstigingstermijn voor het opheffen van de overtreding passend vastgesteld.
De Raad van State wijst het hoger beroep af en verlengt de begunstigingstermijnen voor de last onder dwangsom en bestuursdwang tot zes weken na de uitspraak. Appellant moet de recreatiewoningen verwijderen of verplaatsen en het aantal terugbrengen tot 31. De voorzieningenrechter acht het niet redelijk dat het college het belang van appellant zwaarder weegt dan het algemeen belang bij handhaving.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhavingsbesluiten worden bevestigd met verlenging van de begunstigingstermijnen.