ECLI:NL:RVS:2021:1265
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens permanente bewoning recreatiewoning
Appellant is eigenaar van een recreatiewoning in Zuidplas en kreeg een last onder dwangsom opgelegd om het niet-recreatieve gebruik te staken. Het college constateerde na meerdere controles dat de woning permanent bewoond werd en besloot tot invordering van de dwangsom van €20.000,-. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de controles onvoldoende waren en dat hij niet permanent woonde.
De rechtbank oordeelde dat de inspectierapporten, samen met andere feiten zoals inschrijving in de Basisregistratie Personen en gebruik van het adres voor bedrijfsactiviteiten, voldoende bewijs vormden voor permanente bewoning. Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat de controles summier waren en dat hij onvoldoende middelen had om te verhuizen.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de inspectierapporten voldoen aan de vereisten en dat het wisselende gebruik van de woning meer wijst op permanente bewoning dan op recreatief gebruik. De stellingen van appellant over verblijf op andere adressen werden onvoldoende onderbouwd. Ook het betoog over financiële draagkracht kon niet tot een ander oordeel leiden omdat het besluit tot oplegging van de last onherroepelijk is.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom bevestigd wegens permanente bewoning van de recreatiewoning.