ECLI:NL:RVS:2021:1219
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring wegens aansluiting bij terroristische organisatie
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 3 december 2019 het Nederlanderschap van appellant in op grond van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat appellant zich had aangesloten bij ISIS, een organisatie die deelneemt aan een internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Tevens werd appellant ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Appellant, die naast de Nederlandse ook de Marokkaanse en Egyptische nationaliteit bezit, vertrok in 2016 naar Syrië en bleef daar als strijder verbonden aan ISIS. Hij zit momenteel gevangen bij Koerdische strijdgroepen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was en dat de geheimhouding van het ambtsbericht terecht was gehandhaafd, omdat de raadsman van appellant geen toestemming gaf voor kennisneming van de onderliggende stukken. De Afdeling verwierp de bezwaren van appellant over het ontbreken van een actueel gevaar, willekeur, disproportionaliteit en discriminatie. Ook werd het belang van de nationale veiligheid en internationale betrekkingen zwaarder gewogen dan het belang van appellant bij bescherming van zijn privé- en gezinsleven. De intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring zijn daarmee rechtmatig en proportioneel.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring van appellant worden bevestigd wegens zijn aansluiting bij ISIS en bedreiging van de nationale veiligheid.