ECLI:NL:RVS:2020:721
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihilstelling huurtoeslag op grond van toetsingsinkomen en drempelbedrag specifieke zorgkosten
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die haar beroep tegen de nihilstelling van haar huurtoeslag over 2017 ongegrond verklaarde. De Belastingdienst had de huurtoeslag definitief vastgesteld op nihil, gebaseerd op een toetsingsinkomen van €24.474, waarbij slechts een drempelbedrag van €129 in mindering was gebracht op het bijzondere inkomen.
Appellante stelde dat de Belastingdienst ten onrechte slechts het drempelbedrag had toegepast en niet de volledige structurele verhoging van 30% van haar WAO-uitkering van €8.043 buiten beschouwing had gelaten. Tevens beriep zij zich op het vertrouwensbeginsel omdat in eerdere jaren wel de gehele verhoging buiten beschouwing was gelaten.
De Raad van State oordeelde dat de Belastingdienst het drempelbedrag van €129 op grond van artikel 6.20, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB en artikel 2b van het Besluit op de huurtoeslag dwingendrechtelijk moest toepassen. De website-informatie kon geen gerechtvaardigd vertrouwen wekken en het beroep op een hoger drempelbedrag was onjuist. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat in eerdere jaren niet de gehele verhoging was meegenomen en appellante toen onder de inkomensgrens viel.
De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Appellante kan zich richten tot de inspecteur inkomstenbelasting voor een eventuele verlaging van haar belastbaar inkomen, waarna de huurtoeslag kan worden herzien. Een verzoek om een betalingsregeling voor terug te betalen bedragen kan bij de Belastingdienst worden ingediend.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de huurtoeslag terecht op nihil is gesteld omdat alleen het wettelijk drempelbedrag van €129 in mindering kon worden gebracht op het toetsingsinkomen.