ECLI:NL:RVS:2020:2910
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- S.F.M. Wortmann
- J. Gundelach
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing inschrijving in filiatieregister Nederlandse adel voor vóór 1994 geboren geadopteerden
De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken wees verzoeken van appellanten af om als vóór 1994 geboren geadopteerde kinderen te worden ingeschreven in het filiatieregister van de Nederlandse adel. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en de appellanten gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 3 van Pro de Wet op de adeldom (Woa) en de vraag of dit artikel onmiddellijke werking heeft en ook geldt voor geadopteerde kinderen geboren vóór de inwerkingtreding van de wet op 1 augustus 1994. De Afdeling bevestigde eerdere uitspraken dat artikel 3 van Pro de Woa eerbiedigende werking heeft en niet van toepassing is op vóór die datum geboren kinderen. De toelichting van de minister in de Eerste Kamer is hierbij leidend.
Appellanten voerden aan dat het onderscheid in strijd is met artikel 8 en Pro 14 EVRM en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol, omdat het leidt tot ongelijke behandeling van geadopteerde kinderen binnen hetzelfde gezin. De Afdeling oordeelde echter dat het adellijk predicaat in Nederland geen deel uitmaakt van de geslachtsnaam en dat het onderscheid objectief en redelijk gerechtvaardigd is, mede vanwege het historische karakter van de adeldom en de uitvoerbaarheid.
De Afdeling concludeerde dat het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank terecht zijn en dat er geen sprake is van schending van het EVRM of het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van inschrijving in het filiatieregister bevestigd.