ECLI:NL:RVS:2020:2845
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens illegale aanbouw met liftopbouw
In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders een dwangsom van €10.000,- ingevorderd bij appellant vanwege het zonder vereiste vergunning bouwen van een aanbouw met liftopbouw aan een woning. De woning is eigendom van de zoon van appellant, die daar ook woont. Appellant werd gelast de aanbouw te verwijderen, maar dit is niet gebeurd.
Appellant voerde aan dat hij niet de overtreder was en dat hij de liftopbouw niet kon verwijderen omdat hij niet de eigenaar was. Ook stelde hij dat de buren ten onrechte als partij waren toegelaten en dat het college hem niet had gehoord voorafgaand aan het invorderingsbesluit. De rechtbank verwierp deze bezwaren en verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak. De buren zijn belanghebbenden omdat zij handhaving hebben verzocht. De verbeurte van de dwangsom volgt automatisch bij niet-naleving binnen de termijn, ongeacht de macht om te voldoen. Het feit dat appellant niet de eigenaar is, ontslaat hem niet van verantwoordelijkheid. Ook het niet vooraf horen en financiële draagkracht zijn niet ontvankelijk omdat deze bezwaren te laat zijn ingebracht. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De invordering van de dwangsom van €10.000,- wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.