ECLI:NL:RVS:2020:2779
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat staatssecretaris latere omstandigheden moet meewegen bij opvolgende mvv-aanvraag alleenstaande minderjarige
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die een eerdere afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor een vreemdeling vernietigde. De vreemdeling, van Syrische nationaliteit, wilde zich voegen bij zijn minderjarige zoon die een verblijfsvergunning asiel had. De staatssecretaris had de aanvraag afgewezen omdat de referent niet langer als alleenstaande minderjarige werd beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat het moment van de eerste mvv-aanvraag bepalend is voor de beoordeling of de referent een alleenstaande minderjarige is, en dat latere omstandigheden niet meegewogen mogen worden. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat latere omstandigheden wel relevant zijn en verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie en eerdere uitspraken van de Afdeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank geen rekening had gehouden met het feit dat het recht op gezinshereniging beperkt is in tijd en dat latere omstandigheden bij opvolgende aanvragen wel degelijk moeten worden meegewogen. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens werd geoordeeld dat de staatssecretaris ten onrechte had afgezien van het horen in bezwaar en werd hij veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en bepaalt dat latere omstandigheden meegewogen moeten worden bij opvolgende mvv-aanvragen.