ECLI:NL:RVS:2020:2668
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde na milieudelict
Bij besluit van 27 november 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van appellant om het Nederlanderschap te verkrijgen afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De reden was dat appellant een gevaar voor de openbare orde zou vormen vanwege een onherroepelijke veroordeling voor een milieudelict, waarvoor hij een geldboete opgelegd kreeg.
Appellant had bezwaar gemaakt tegen dit besluit, dat op 15 april 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Amsterdam, die op 10 december 2019 het beroep ongegrond verklaarde. Het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak richtte zich tegen deze uitspraak.
De Afdeling overweegt dat het beleid zoals neergelegd in de Handleiding RWN als uitgangspunt geldt bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde. De rehabilitatietermijn wordt bepaald vanaf de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de sanctie ten uitvoer is gelegd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de strafprocedure bijzonder lang heeft geduurd, noch zijn er bijzondere omstandigheden die het oordeel over het gevaar voor de openbare orde zouden wijzigen.
Ook het feit dat appellant zich niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, vormt geen bijzondere omstandigheid. Verder is het Unierechtelijke openbare orde-begrip niet van toepassing op de verkrijging van het Nederlanderschap. De Afdeling bevestigt daarom de afwijzing van het verzoek om Nederlanderschap en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het verzoek om Nederlanderschap wordt afgewezen vanwege ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde na een onherroepelijke veroordeling.