ECLI:NL:RVS:2020:2602
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit beëindiging woongebruik bedrijfswoning zonder concreet zicht op legalisatie
Het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn heeft op 17 september 2018 een last onder dwangsom opgelegd aan de eigenaar van een voormalige bedrijfswoning, gelegen op een perceel met bestemming Horeca-1, om het gebruik van de woning voor wonen te beëindigen. De eigenaar was na verkoop van het bijbehorende hotel in 2006 in de woning blijven wonen, ondanks dat bewoning niet is toegestaan volgens het bestemmingsplan.
De eigenaar stelde dat er concreet zicht was op legalisatie van het woongebruik omdat het college en de gemeenteraad bereid waren mee te werken aan een omgevingsvergunning. Tevens voerde hij aan dat bijzondere omstandigheden, zoals leegstand en verpaupering van de woning, handhaving onredelijk maakten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de eigenaar ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat voor concreet zicht op legalisatie meer nodig is dan een intentie van het bestuursorgaan; er moet een procedure zijn gestart voor vergunningverlening. Ten tijde van het besluit was daarvan geen sprake. Ook de latere terinzagelegging van een ontwerpbesluit was niet relevant. De stelling dat handhaving onevenredig is vanwege leegstand en verpaupering faalde omdat de gevolgen van handhaving op de woning buiten de procedure vallen.
De Raad van State bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit wordt bevestigd.