ECLI:NL:RVS:2020:2432
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing huurtoeslag wegens voordeel uit sparen en beleggen ondanks belastingschulden
Appellant ontving voorschotten huurtoeslag over 2016, maar de Belastingdienst stelde de definitieve huurtoeslag op nihil en vorderde teveel ontvangen voorschotten terug vanwege voordeel uit sparen en beleggen. Appellant betwistte dit omdat haar inkomstenbelastingschulden niet waren meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwees appellant naar de belastingrechter voor geschillen over de aanslag inkomstenbelasting. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de Belastingdienst/Toeslagen de aanslag inkomstenbelasting moet volgen bij het vaststellen van het recht op huurtoeslag.
De Afdeling wijst het beroep af en overweegt dat de wettelijke regeling geen ruimte laat om belastingschulden buiten beschouwing te laten bij de berekening van het vermogen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en discriminatie wordt verworpen, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
De uitspraak bevestigt dat geschillen over de hoogte van het vermogen en de aanslag inkomstenbelasting niet in een procedure tegen de Belastingdienst/Toeslagen kunnen worden behandeld, maar bij de belastingrechter thuishoren.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de huurtoeslag bevestigd.