ECLI:NL:RVS:2020:218
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake Wob-verzoeken politie Limburg
Appellant verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) informatie over het HAP-II loopbaanbeleid en andere documenten bij de korpschef van politie Limburg. De korpschef wees deze verzoeken aanvankelijk af, maar verklaarde later een deel van de bezwaren gegrond en besloot tot openbaarmaking van informatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Appellant voerde meerdere bezwaren aan, waaronder dat de rechtbank ten onrechte geen dwangsom toekende, onjuiste toepassing van artikel 8:29 Awb Pro, en onjuiste beoordeling van de beschikbaarheid en schoning van documenten.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht toepassing gaf aan het procesreglement bestuursrecht inzake beperkte kennisneming van stukken en dat appellant geen toestemming gaf voor inzage, waardoor de gevolgen van die weigering voor zijn rekening kwamen. Verder stelde de Afdeling vast dat de rechtbank niet had vastgesteld dat de korpschef over alle gevraagde informatie beschikte en dat appellant onvoldoende had onderbouwd welke documenten niet waren verstrekt.
Ook werd geoordeeld dat de rechtbank onjuist had gehandeld door de uitspraak niet openbaar te maken volgens artikel 8:78 Awb Pro, en dat dit gebrek gevolgen moet hebben. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond, wees het schadeverzoek af en veroordeelde de korpschef tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard; het verzoek om schadevergoeding is afgewezen en de korpschef veroordeeld tot proceskostenvergoeding.