ECLI:NL:RVS:2020:2110
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Intrekking omgevingsvergunning wegens niet-tijdig gebruik en redelijke belangenafweging
Het college van burgemeester en wethouders van Groningen verleende in 2012 een omgevingsvergunning voor sloop en nieuwbouw op een perceel in Groningen. In 2017 trok het college deze vergunning in, omdat binnen 26 weken na onherroepelijkheid geen gebruik was gemaakt van de vergunning, zoals voorgeschreven in artikel 2.33 van de Wabo.
De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende rekening had gehouden met de financiële belangen van de vergunninghouder en vernietigde het besluit tot intrekking. Het college ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State stelt vast dat het college bevoegd was tot intrekking en dat het niet tijdig benutten van de vergunning aan de vergunninghouder kan worden toegerekend. Hoewel er gesprekken waren over herontwikkeling van het gebied, heeft de vergunninghouder niet aannemelijk gemaakt dat zij daardoor niet vrij was om de vergunning te gebruiken.
De Raad van State concludeert dat het college in redelijkheid tot intrekking heeft kunnen besluiten zonder financiële compensatie toe te kennen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.