ECLI:NL:RVS:2020:1957
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring na vier weken niet onrechtmatig zonder voornemen asielprocedure
De vreemdeling uit Oekraïne werd op 10 maart 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld na een nieuwe asielaanvraag. De rechtbank oordeelde dat de bewaring na vier weken onrechtmatig was omdat de staatssecretaris nog geen voornemen had uitgebracht in de asielprocedure, en kende de vreemdeling een schadevergoeding toe.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat de maximale termijn van zes weken nog niet was verstreken en dat er geen verplichting bestond om binnen vier weken een voornemen uit te brengen of dit mede te delen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de nationale wetgever in artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 de termijn van maximaal zes weken heeft gesteld voor de behandeling van de asielaanvraag en dat het niet vereist is om binnen vier weken een voornemen uit te brengen.
De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de bewaring na vier weken onrechtmatig was. De staatssecretaris had nog twee weken om de aanvraag te behandelen en een besluit te nemen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De bewaring na vier weken was niet onrechtmatig; het beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.