ECLI:NL:RVS:2020:1238
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring tijdens coronapandemie
De vreemdeling werd op 12 maart 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde op 20 april 2020 het beroep van de vreemdeling gegrond, hief de bewaring op en wees het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank omdat zij het hoger beroep gegrond achtte. De Afdeling beoordeelde alleen de beroepsgronden die de rechtbank nog niet had behandeld of waarop in hoger beroep nog moest worden beslist. De vreemdeling stelde dat vanwege de uitbraak van het coronavirus een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast.
De staatssecretaris stelde dat de coronapandemie op zichzelf geen reden was om het belang van de vreemdeling op vrijheid zwaarder te laten wegen dan het belang van voortzetting van de bewaring. De Afdeling vond deze stelling juist en verwierp het beroep van de vreemdeling. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.