ECLI:NL:RBDHA:2021:9404
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring ondanks onvolledig terugkeerbesluit
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De bewaring was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 14 april 2021. Het geschil betrof de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring daarna.
De vreemdeling stelde dat het terugkeerbesluit onrechtmatig was omdat het niet expliciet het land van terugkeer noemde, wat volgens recente jurisprudentie vereist is om de rechtsbescherming te waarborgen. De rechtbank oordeelde dat uit de context, waaronder het gehoor en de vermelding van de Vietnamese nationaliteit, ondubbelzinnig bleek dat Vietnam het land van terugkeer was. Daarom was geen nieuw terugkeerbesluit nodig.
Daarnaast voerde de vreemdeling aan dat de verwijdering onvoldoende voortvarend werd uitgevoerd omdat de laissez-passer nog niet was opgehaald en de vlucht nog niet geboekt was. De rechtbank stelde vast dat de Staatssecretaris op tijd een laissez-passer had ontvangen en een vlucht had aangevraagd, maar dat de beperkte opening van het Vietnamese luchtruim vanwege de coronapandemie een tijdelijke belemmering vormde. De handelwijze van de Staatssecretaris werd als voldoende voortvarend beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard.