ECLI:NL:RVS:2020:1131
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- B.P.M. van Ravels
- P.H.A. Knol
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten omgevingsvergunning voor tijdelijke woonbestemming op bedrijventerrein Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende een omgevingsvergunning voor de verbouwing en tijdelijke bewoning van een kantoorpand op het bedrijventerrein ZKD voor statushouders, later uitgebreid met andere doelgroepen zoals studenten en arbeidsmigranten. Appellanten, gevestigd nabij het pand, voerden aan dat zij in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en dat de vergunning strijdig is met het bestemmingsplan en het gemeentelijk beleid.
De rechtbank had het beroep van twee appellanten ongegrond verklaard en dat van één ontvankelijk maar ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat één appellant geen belanghebbende was. De Afdeling oordeelt dat deze appellant wel rechtstreeks gevolgen ondervindt en dus belanghebbende is.
De Afdeling stelt vast dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vergunningverlening niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft onder meer nagelaten de ruimtelijke effecten van functiemenging en de belangen van de gevestigde bedrijven adequaat te betrekken in de belangenafweging. Ook ontbreekt een waarborg dat bouwkundige voorzieningen tegen geluidsoverlast worden gerealiseerd.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en de uitspraak van de rechtbank, en beveelt het college een nieuw besluit te nemen waarbij de gewijzigde vergunningaanvraag als uitgangspunt geldt. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens onvoldoende motivering en schending van belangen.