De rechtbank Limburg behandelde op 20 mei 2025 het beroep van omwonenden tegen een verleende omgevingsvergunning voor de huisvesting van 19 arbeidsmigranten in een pand met horecabestemming in een dorpskern. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Venlo, had de vergunning verleend op grond van de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid uit de Wabo in combinatie met de kruimelgevallenregeling uit het Bor.
Eisers voerden aan dat de vergunning niet past binnen de dorpskern, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het beleidskader, en dat onvoldoende rekening is gehouden met het woon- en leefklimaat, parkeren en omgevingsdialoog. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was de vergunning te verlenen en dat de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt, waarbij het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast.
De rechtbank stelde vast dat de kruimelgevallenregeling ook binnen de bebouwde kom van toepassing is en dat het plan niet om grootschalige huisvesting gaat. De parkeerplaatsen voldeden aan het beleidskader en er was voldoende omgevingsdialoog geweest. De stellingen van eisers waren onvoldoende concreet onderbouwd en er was geen sprake van strijd met de goede ruimtelijke ordening of het beleidskader.
De rechtbank concludeerde dat de vergunning terecht was verleend en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.