ECLI:NL:RVS:2019:4016
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen schadevergoeding na onrechtmatig huisverbod en huissleutelinvordering
Appellant had een huisverbod opgelegd gekregen in 2010, dat later werd vernietigd. Hij verzocht om schadevergoeding voor immateriële schade, reiskosten en huurlasten, deels toegekend maar grotendeels afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Na bezwaar en beroep werd het besluit van 25 februari 2019 genomen, waarin een deel van de schadeposten niet-ontvankelijk werd verklaard en het overige ongegrond.
Appellant voerde aan dat het besluit onbevoegd was genomen, dat de huissleutelinvordering een besluit met rechtsgevolg was en dat de burgemeester het vertrouwensbeginsel had geschonden door het niet tijdig nemen van besluiten. De Afdeling oordeelde dat de loco-burgemeester bevoegd was het besluit te nemen, dat de sleuteloverdracht een feitelijke handeling betrof zonder bestuursrechtelijke rechtsgevolgen en dat de schade die daaruit voortvloeit niet via bestuursrechtelijke weg kan worden geclaimd.
Verder werd geoordeeld dat de redelijke termijn voor de bezwaarprocedure niet was overschreden en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij immateriële schade had geleden door vermeende toezeggingen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 25 februari 2019 wordt ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.