Uitspraak
Datum uitspraak: 13 november 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De zaak betreft een hoger beroep van de houder van een visvergunning voor het vissersvaartuig ARM-33 tegen het besluit van de minister om drie punten toe te kennen wegens het niet naleven van de voorschriften omtrent verplichte vangstregistratie. De minister was teruggekomen op een eerder besluit waarbij alle punten waren geschrapt, omdat binnen drie jaar na een eerdere ernstige inbreuk opnieuw ernstige inbreuken waren geconstateerd.
De inspecties toonden afwijkingen aan tussen de in het logboek geregistreerde vangst en de daadwerkelijke aanlanding, met overschrijdingen van respectievelijk 20,77% en 26,51%, terwijl een marge van 10% geldt. De minister kwalificeerde deze afwijkingen als ernstige inbreuken conform het gemeenschappelijk visserijbeleid van de EU en kende drie punten toe op de visvergunning.
De appellant stelde dat de toekenning van punten niet evenredig was en dat het intrekken van het eerdere besluit tot schrapping van punten onrechtmatig was vanwege het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel. De Raad van State oordeelde dat de minister de beleidsregel terecht had toegepast en dat de intrekking van het eerdere besluit gerechtvaardigd was omdat nieuwe feiten waren ontdekt die een onjuiste vaststelling van de feiten in het eerdere besluit aantoonde.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de minister de punten terecht had toegekend en dat het besluit van 6 september 2017 mocht worden ingetrokken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de minister terecht drie punten heeft toegekend en het eerdere besluit tot schrapping van punten mocht intrekken.