ECLI:NL:RVS:2019:3454
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bemiddeling DT&V niet vatbaar voor bezwaar of beroep
De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de bemiddeling door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), welke door de staatssecretaris was bevestigd. De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, waarbij het besluit werd vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. De vreemdeling stelde dat de beëindiging een voorbereidingsbeslissing of feitelijke handeling was waartegen bezwaar of beroep mogelijk moest zijn.
De Raad van State oordeelde dat de beëindiging geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en niet gericht is op rechtsgevolg, maar slechts een weigering tot feitelijk handelen betreft. Ook is het geen afwijzing van een aanvraag. De relevantie van de beëindiging voor een buitenschuldvergunning verandert hier niets aan.
Verder stelde de vreemdeling dat het een feitelijke handeling betrof waartegen bezwaar mogelijk is volgens de Vreemdelingenwet 2000. De Raad van State stelde dat bezwaar tegen een feitelijke handeling alleen openstaat indien geen andere adequate bestuursrechtelijke rechtsgang bestaat. De vreemdeling kan de beëindiging aanvechten via een procedure tegen een eventuele afwijzing van een buitenschuldvergunning, wat niet onevenredig bezwarend is. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat tegen de beëindiging van de bemiddeling door de DT&V geen bezwaar of beroep openstaat en verklaart het hoger beroep ongegrond.