ECLI:NL:RVS:2019:3210
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldhulpverlening wegens niet-naleving medewerkingsplicht bevestigd
Appellant is toegelaten tot het schuldhulpverleningstraject van de gemeente Den Haag, dat begon met een stabilisatietraject. Het college heeft herhaaldelijk verzocht om het aanleveren van noodzakelijke documenten, met verlengde termijnen. Appellant heeft echter niet alle gevraagde stukken binnen de gestelde termijnen aangeleverd, ondanks meerdere herinneringen en hersteltermijnen.
Het college beëindigde daarom het schuldhulpverleningstraject op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en de Beleidsregel schuldhulpverlening Den Haag 2017. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het college terecht oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn medewerkingsplicht.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel stukken had aangeleverd, dat hij financiële problemen had bij het afsluiten van zijn bedrijf en dat hij geen inzage had gehad in het verweerschrift. De Raad van State oordeelde dat het college terecht het traject beëindigde, omdat zonder de gevraagde gegevens geen financiële stabiliteit kon worden vastgesteld. Ook was het verweerschrift tijdig aan appellant toegezonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant is ongegrond verklaard en de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject bevestigd.