ECLI:NL:RVS:2017:581
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldhulpverlening wegens onvoldoende medewerking is gegrond verklaard
Appellanten werden in juli en september 2014 toegelaten tot schuldhulpverlening met een stabilisatietraject. De ISD beëindigde de schuldhulpverlening in januari 2015 omdat het niet lukte inkomsten en uitgaven in balans te brengen en de vermogens- en schuldpositie niet vastgesteld kon worden.
De ISD handhaafde deze besluiten na bezwaar, waarbij werd benadrukt dat appellanten niet volledig hadden meegewerkt door het niet overleggen van essentiële documenten ondanks hersteltermijn. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat de ISD bevoegd was de hulpverlening te beëindigen.
Appellanten voerden aan dat de ISD niet bevoegd was tot beëindiging wegens medewerkingsplichtschending en dat zij alle redelijke informatie hadden verstrekt. De Raad van State oordeelde echter dat de bevoegdheid tot beëindiging inherent is aan schuldhulpverlening en dat appellanten onvoldoende medewerking hadden verleend.
De ISD had appellanten een hersteltermijn geboden, die niet werd benut. Het ontbreken van noodzakelijke informatie maakte beëindiging redelijk en evenredig. Klachten over de werkwijze van de ISD werden niet inhoudelijk behandeld omdat deze niet relevant waren voor het hoger beroep.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de beëindiging van de schuldhulpverlening rechtmatig was.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de ISD de schuldhulpverlening aan appellanten terecht heeft beëindigd wegens onvoldoende medewerking.