ECLI:NL:RVS:2019:2952
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor overtreding arbeidsomstandigheden bij asbestverwijdering ondanks matigingsverzoeken
Op 3 december 2015 voerden inspecteurs een controle uit bij appellante op een locatie waar asbest werd verwijderd. Daarbij werden meerdere tekortkomingen vastgesteld, zoals een beschadigd containment en het ontbreken van een drietraps decontaminatie-unit, in strijd met het werkplan. De minister legde daarop een boete van €5.400 op, die deels was gematigd vanwege inspanningen van appellante.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen het boetebesluit en de openbaarmaking van inspectiegegevens. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij voerde onder meer aan dat de staatssecretaris niet bevoegd was, dat het boeterapport niet rechtsgeldig was ondertekend, dat de cautie aan de toezichthouder ontbrak en dat de overtreding niet bewezen was.
De Afdeling verwierp deze gronden. De staatssecretaris was bevoegd het besluit op bezwaar te nemen. Het boeterapport was rechtsgeldig ondertekend via elektronische accordering. De toezichthouder was werknemer en niet bestuurder, zodat de cautieplicht niet op hem van toepassing was. De overtreding was voldoende vastgesteld aan de hand van het boeterapport en bijlagen. Ook het betoog dat alleen de toezichthouder aansprakelijk was, faalde omdat de werkgever verantwoordelijk blijft.
De matigingsverzoeken werden verworpen omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er adequate instructies en toezicht waren gehouden. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De boete van €5.400 wegens overtreding van het werkplan bij asbestverwijdering wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.