ECLI:NL:RVS:2019:2804
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding en dwangsom wegens niet tijdig beslissen schuldhulpverlening
De appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Roermond om schadevergoeding en toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om schuldhulpverlening van 21 september 2010. Het college wees deze verzoeken bij besluiten van 3 november 2017 en 13 maart 2018 af. De rechtbank Limburg verklaarde het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk en wees de verzoeken om dwangsom en schadevergoeding af.
De appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak op 1 augustus 2019 en oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk was, omdat tegen een besluit inzake vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen geen beroep mogelijk is.
Verder oordeelde de Afdeling dat er geen aanleiding was om een dwangsom toe te kennen, omdat wel degelijk op de aanvraag was beslist. De stellingen van appellant boden geen grond voor een ander oordeel. Ook het betoog over het ontbreken van rechtskracht van de uitspraak faalde omdat formele vereisten niet wettelijk zijn voorgeschreven.
De Afdeling concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt schade te hebben geleden als gevolg van het besluit tot beëindiging van schuldhulpverlening en dat feitelijk handelen geen grond is voor schadevergoeding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.