ECLI:NL:RVS:2019:2424
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 17 oktober 2018 het besluit om de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. De staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening was opgeschort door een uitspraak van de voorzieningenrechter, waardoor de termijn niet was verstreken. Tevens werd geoordeeld dat het wetsdecreet van de Italiaanse autoriteiten niet leidt tot een onjuiste toepassing van het interstatelijke vertrouwensbeginsel door de staatssecretaris. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Daarnaast werd het betoog van de vreemdeling dat de belangen van haar ongeboren kind niet waren meegewogen, verworpen op basis van een eerdere uitspraak van de Afdeling. Andere beroepsgronden werden niet meer in behandeling genomen omdat deze reeds door de rechtbank waren beoordeeld en niet in hoger beroep aan de orde waren gesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.