ECLI:NL:RVS:2019:1861
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijkheid Italië voor opvang zwangere asielzoekster onder Dublinverordening
De staatssecretaris heeft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een zwangere vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nader onderzoek uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gezien het wetsdecreet van Italië dat de opvang tijdens en na de zwangerschap onvoldoende zou garanderen.
In hoger beroep stelt de staatssecretaris dat de situatie in Italië is verbeterd en dat er geen reëel risico bestaat op onmenselijke behandeling, mede onder verwijzing naar een brief van de Italiaanse autoriteiten en het AIDA-rapport. De vreemdeling betwist dit en wijst op onduidelijkheden in de opvang en een Britse uitspraak die overdracht aan Italië annuleerde.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het wetsdecreet en het AIDA-rapport geen aanwijzingen geven voor een reëel risico op onmenselijke behandeling van gezinnen of ouders met minderjarige kinderen in Italië. De rechtbank heeft dit ten onrechte anders beoordeeld. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris bevestigd.