ECLI:NL:RVS:2019:2304
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 23 oktober 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 22 november 2018 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep werd onder meer geklaagd over de digitale ondertekening en openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verwees naar eerdere uitspraken waarin deze klachten als terecht werden erkend, maar niet tot vernietiging van de uitspraak leidden omdat de ondertekening en inhoud van de uitspraak correct waren. Daarnaast oordeelde de Afdeling dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die beantwoording behoefden.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, ter hoogte van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.