ECLI:NL:RVS:2019:1968
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens tatoeages
De staatssecretaris heeft op 4 april 2019 het verzoek van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing op 23 mei 2019 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Afdeling oordeelt dat de grieven 1 en 2 van de vreemdeling geen aanleiding geven tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat deze geen vragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. De derde grief betreft de betekenis van de tatoeages van de vreemdeling en de mogelijkheid deze altijd te bedekken. De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraken waarin deze kwestie is behandeld en concludeert dat het hoger beroep kennelijk gegrond is.
De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens vernietigt zij het besluit van 4 april 2019 van de staatssecretaris wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.