ECLI:NL:RVS:2019:1932
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering schadefonds wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen voor geweldsmisdrijf
De zaak betreft het hoger beroep van een vrouw die een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven had aangevraagd wegens psychisch letsel door verkrachting in de periode 2007-2009. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af vanwege het ontbreken van voldoende objectieve aanwijzingen dat sprake was van een geweldsmisdrijf. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de vrouw ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de wet vereist dat een geweldsmisdrijf aannemelijk wordt gemaakt met objectieve aanwijzingen naast de verklaring van het slachtoffer. Hoewel de vrouw aangifte had gedaan, was er geen strafrechtelijk vervolgonderzoek geweest omdat de verdachte vermist was. De door haar overgelegde medische verklaringen en getuigenverklaringen waren gebaseerd op haar eigen verhaal en boden geen objectieve ondersteuning. Ook het beeldmateriaal dat zij aanleverde kon niet leiden tot de conclusie dat het seksuele contact onvrijwillig was.
De Raad van State bevestigde dat de CSG de aanvraag in redelijkheid mocht afwijzen vanwege het ontbreken van controleerbare, objectieve informatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de aanvraag uit het schadefonds wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen voor een geweldsmisdrijf.