ECLI:NL:RVS:2019:1815
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening intrekking ligplaatsvergunning na overlijden vergunninghouder
Bij besluit van 28 juni 2010 heeft het college de ligplaatsvergunning van de vergunninghouder ingetrokken wegens langdurig niet-gebruik. De vergunninghouder verzocht in 2017 om herziening van dit besluit, maar dit werd door het college afgewezen. Tijdens de bezwaarprocedure overleed de vergunninghouder, waarna het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde omdat het procesbelang verviel en de gemachtigde geen belanghebbende was.
De gemachtigde, tevens mede-eigenaar van de woonboot, stelde beroep in bij de rechtbank en voerde aan dat hij de procedure mocht voortzetten als rechtsopvolger en mede-eigenaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat geen rechtsregel bestaat die hem als gemachtigde na overlijden van de vergunninghouder het recht geeft de procedure voort te zetten.
In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak deze uitspraak. De Afdeling oordeelt dat de erfgenamen niet hebben aangegeven dat zij wensen dat de gemachtigde de procedure voortzet en dat het verkrijgen van een ligplaatsvergunning op naam van de gemachtigde niet via deze procedure kan worden bewerkstelligd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.