ECLI:NL:RVS:2020:940
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ligplaatsvergunning voor betonnen casco zonder woonbestemming
Appellant vroeg op 25 november 2017 een ligplaatsvergunning aan voor een betonnen casco aan een locatie in Amsterdam. Het college wees de aanvraag af omdat het casco niet voldoet aan de definitie van woonboot volgens de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob), aangezien het niet als woonverblijf wordt gebruikt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak.
Het college weigerde ook een dwangsom toe te kennen wegens vermeende te late besluitvorming, omdat appellant geen geldige ingebrekestelling had gestuurd. De Raad van State oordeelt dat de brief van appellant niet voldoet aan de eisen voor een ingebrekestelling volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verder is vastgesteld dat het casco niet voldoet aan andere categorieën binnen de Vob en dat de benodigde omgevingsvergunningen ontbreken. Hierdoor kon het college op grond van artikel 2.5.2 van de Vob de ligplaatsvergunning terecht weigeren. De eerdere vergunning van de vorige eigenaar is ingetrokken en onherroepelijk verklaard. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de ligplaatsvergunning en wijst het beroep tegen de afwijzing van de dwangsom af.