ECLI:NL:RVS:2019:1380
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum autonome verblijfsvergunning voortgezet verblijf bij gezinshereniging
De zaak betreft een vreemdeling die sinds 2008 een tijdelijke verblijfsvergunning had voor verblijf bij echtgenoot, geldig tot november 2014. Na inschrijving op een ander adres en een aanvraag voor een verblijfsvergunning voortgezet verblijf op humanitaire gronden, wees de staatssecretaris deze aanvankelijk af wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen. Later werd de vergunning alsnog verleend met ingang van 16 februari 2015, op basis van een positief DUO-advies.
De vreemdeling stelde dat zij al vóór 10 februari 2014 aan de voorwaarden voldeed en dat de vergunning daarom eerder had moeten ingaan. De rechtbank oordeelde dat de vergunning terecht pas vanaf 16 februari 2015 was verleend. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde echter vast dat het inburgeringsvereiste niet in strijd is met het EU-recht, maar dat het onredelijk was om de vergunning pas vanaf 2015 te verlenen, omdat de vreemdeling al in 2012 voldoende inspanningen had verricht.
De Afdeling vernietigde het eerdere besluit en stelde de ingangsdatum van de vergunning vast op 20 augustus 2014, de datum van de aanvraag, conform artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak sluit aan bij het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018 over de uitleg van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning voortgezet verblijf wordt vastgesteld op 20 augustus 2014, de datum van de aanvraag.