ECLI:NL:RVS:2019:1065
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herplantplicht bij kappen grove dennen ondanks bezwaar appellant
Appellant vroeg het college om medewerking aan de noodkap van een grove den op zijn perceel te Vaassen. Het college stelde bij brief van 29 september 2016 dat de boom geen risicoboom was en dat een reguliere omgevingsvergunning vereist was. Na aanvraag en vergunningverlening werd een herplantplicht opgelegd voor één boom vanwege beperkte groeiruimte. Appellant maakte bezwaar tegen de brief en de herplantplicht, maar het college verklaarde het bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen de herplantplicht ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring niet-ontvankelijk en het overige ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel procesbelang had, dat de brief van 7 oktober 2016 een beschikking was en dat het college onrechtmatig handelde door het bezwaar niet door te zenden aan Tribuut. Ook voerde hij aan dat de herplantplicht onrechtmatig was vanwege inbreuk op zijn eigendomsrecht en dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden.
De Raad van State oordeelde dat appellant geen procesbelang had bij het bezwaar tegen de brief, dat de brief informatief was en geen beschikking, en dat het college niet verplicht was het bezwaar door te zenden. De herplantplicht was rechtmatig opgelegd conform het Bomenbeleidsplan en de APV, die niet onverbindend waren. Het college had de herplantplicht in redelijkheid kunnen verbinden aan de vergunning. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situaties niet vergelijkbaar waren. Nieuwe beroepsgronden werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herplantplicht bij het kappen van de grove den blijft in stand.