ECLI:NL:RVS:2018:44
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens misbruik Wob-verzoek verkeersboete
Appellant verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van documenten met betrekking tot een aan hem opgelegde verkeersboete. De minister nam het verzoek aanvankelijk niet in behandeling en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Na diverse procedures vernietigde de rechtbank een besluit en werd een nieuw besluit genomen, waarna het beroep van appellant alsnog niet-ontvankelijk werd verklaard.
Appellant stelde dat het griffierecht ten onrechte driemaal was geheven en dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard wegens vermeend misbruik van recht. De Afdeling oordeelde dat de drie Wob-verzoeken geen samenhangende besluiten betroffen en dat driemaal griffierecht terecht was geheven. Verder overwoog de Afdeling dat het Wob-verzoek niet bedoeld is om binnen het kader van een procedure tegen een verkeersboete informatie te verkrijgen, omdat daarvoor andere rechtsmiddelen bestaan.
De Afdeling stelde dat appellant misbruik maakte van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen, aangezien het verzoek enkel diende om de verkeersboete aan te vechten en niet om algemene openbaarheid te bevorderen. Dit misbruik strekte zich uit tot het beroep, dat daarom terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen.