ECLI:NL:RVS:2018:3500
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in vreemdelingenzaak
De staatssecretaris heeft op 30 mei 2017 het verzoek van de vreemdeling om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 13 oktober 2017 kennelijk ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 23 augustus 2018 ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State beoordeelde of het hoger beroep tijdig was ingediend. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt volgens artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vier weken na verzending van de uitspraak. De uitspraak van de rechtbank was verzonden op 24 augustus 2018, waardoor de termijn eindigde op 21 september 2018. Het hogerberoepschrift werd echter pas op 24 september 2018 ontvangen.
De vreemdeling voerde aan dat de termijn in strijd zou zijn met artikel 18 VWEU Pro inzake discriminatie op grond van nationaliteit, maar de Raad van State verwierp dit argument op basis van eerdere jurisprudentie. Gelet hierop verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepschrifttermijn.