ECLI:NL:RVS:2018:3366
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J.J. van Eck
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ontheffing doden roeken wegens onvoldoende onderbouwing schade en instandhouding
Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland verleende ontheffing aan de Faunabeheereenheid Zuid-Holland (FBE) om roeken te doden ter voorkoming van schade aan landbouwgewassen in diverse wildbeheereenheden. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende aannemelijkheid dat de staat van instandhouding van de roek niet zou verslechteren en onvoldoende onderbouwing van de dreiging van belangrijke schade.
FBE ging in hoger beroep en voerde aan dat de populatiegegevens van Sovon en het faunabeheerplan 2017-2023 een stabiele of toenemende populatie aantonen, en dat de ontheffing noodzakelijk is vanwege de concrete dreiging van schade aan fruit en maïs. Tevens stelde FBE dat alternatieve preventieve middelen onvoldoende effectief zijn en afschot noodzakelijk blijft.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de staat van instandhouding verslechtert en dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat afschot tot verslechtering leidt. De Afdeling oordeelde verder dat de ontheffing voor fruit en maïs in bepaalde wildbeheereenheden voldoende is onderbouwd met schadehistorie, maar voor andere gebieden niet. Daarnaast werd geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom afschot noodzakelijk is als aanvullend middel bij verjaging.
Uiteindelijk vernietigde de Afdeling het vonnis van de rechtbank voor zover het de ontheffing voor fruit en maïs in specifieke gebieden betrof en wees het hoger beroep van FBE toe. De Afdeling wees tevens proceskosten toe aan FBE.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en delen van het vernietigde besluit worden hersteld voor specifieke gebieden en gewassen.