ECLI:NL:RVS:2018:3277
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering zorgtoeslag ondanks nabetaling bijstandsuitkering
De Belastingdienst/Toeslagen stelde de zorgtoeslag van appellant over 2016 definitief vast op €364 en vorderde €1.542 aan teveel betaalde voorschotten terug. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, stellende dat een nabetaling van een bijstandsuitkering over voorgaande jaren buiten beschouwing had moeten blijven bij de inkomensberekening.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de appellant ging in hoger beroep. Hij voerde aan dat het onderscheid tussen huurtoeslag en zorgtoeslag in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel (artikel 26 IVBPR Pro) en dat ook artikel 13 van Pro het Europees Sociaal Handvest werd geschonden. Tevens stelde hij dat het besluit onredelijk en willekeurig was en dat het evenredigheidsbeginsel werd geschonden.
De Raad van State oordeelde dat de wet- en regelgeving geen ruimte biedt om bij de vaststelling van de zorgtoeslag een deel van het inkomen buiten beschouwing te laten. Het beroep op internationale verdragen faalde omdat appellant geen vergelijkbare gevallen noemde en artikel 13 ESH Pro niet rechtstreeks toepasbaar is. Ook het beroep op redelijkheid, billijkheid, willekeur en evenredigheid werd verworpen omdat de Belastingdienst gebonden is aan de wettelijke bepalingen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.