ECLI:NL:RVS:2018:2947
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
Appellant, werkzaam als beveiliger, kreeg op 4 december 2017 de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten ingetrokken door de korpschef. Deze intrekking was gebaseerd op een onherroepelijke veroordeling van 23 mei 2017 voor rijden onder invloed en het verlaten van de plaats van het ongeval, en een veroordeling van 12 maart 2018 voor rijden onder invloed. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de intrekking, maar zowel de korpschef als de rechtbank verklaarden deze ongegrond.
In hoger beroep bij de Raad van State werd onder meer betoogd dat de onschuldpresumptie was geschonden door het betrekken van de nog niet onherroepelijke veroordeling en dat het rechtszekerheidsbeginsel was geschonden vanwege een administratieve fout bij de korpschef. De Raad van State oordeelde dat de intrekking terecht was gebaseerd op de onherroepelijke veroordeling en een vermoeden uit de tweede veroordeling, zonder schending van de onschuldpresumptie.
Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalde omdat de administratieve fout niet ten laste van appellant kwam en de intrekking daardoor niet onrechtmatig was. Verder werd het beroep op de hardheidsclausule afgewezen omdat de korpschef in redelijkheid geen aanleiding zag deze toe te passen gezien de aard van de feiten en het belang van de veiligheid.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank, wees het verzoek om voorlopige voorziening af en verwierp het verzoek om schadevergoeding. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden is bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening en schadevergoeding is afgewezen.