ECLI:NL:RVS:2018:281
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling rechtmatig in bewaring gesteld na opvolgende asielaanvraag
De vreemdeling werd aanvankelijk op 28 september 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld. Na het indienen van een opvolgende asielaanvraag op 5 oktober 2017 werd hij opnieuw in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar oordeelde dat de maatregel op een onjuiste wettelijke grondslag was genomen en paste artikel 6:22 Awb Pro toe om het gebrek te passeren.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat een inbewaringstelling op een onjuiste wettelijke grondslag niet kan worden hersteld via artikel 6:22 Awb Pro en dat de rechtbank dit ten onrechte heeft aangenomen. De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en toetst het besluit van 5 oktober 2017 opnieuw.
De vreemdeling stelde dat hij door het indienen van de opvolgende asielaanvraag geen rechtmatig verblijf had en dat bovendien een inreisverbod van kracht was. De Afdeling stelt vast dat het inreisverbod door de opvolgende aanvraag is geschorst en dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw 2000. De bewaring is daarom rechtmatig genomen op grond van artikel 59b Vw 2000.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De vreemdeling is terecht in bewaring gesteld op grond van artikel 59b Vw 2000 na het indienen van een opvolgende asielaanvraag.