ECLI:NL:RVS:2018:2485
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- A.B.M. Hent
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling wegens motiveringsgebrek
Bij besluit van 18 mei 2018 legde de staatssecretaris een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 7 juni 2018 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en klaagde dat de motivering van de maatregel onrechtmatig was omdat deze pas na oplegging werd gegeven. De staatssecretaris had in het besluit alleen vermeld dat de vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en niet over voldoende middelen beschikte, maar motiveerde het onttrekkingsrisico pas later in een aanvullend proces-verbaal.
De Afdeling oordeelde dat de motivering van een vrijheidsontnemende maatregel niet pas na oplegging kenbaar mag worden gemaakt, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en het arrest Mahdi van het Hof van Justitie. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het aanvullend proces-verbaal volstond. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit alsnog gegrond verklaard.
Omdat de maatregel inmiddels was opgeheven, werd geen bevel tot opheffing gegeven. De vreemdeling kreeg een vergoeding van €1.600 toegekend voor de periode van 18 mei tot 7 juni 2018. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het beroep tegen het besluit wordt alsnog gegrond verklaard en een schadevergoeding van €1.600 wordt toegekend.