ECLI:NL:RVS:2018:2193
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- J. Hoekstra
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Vergoeding samenhangende procedures in vreemdelingenrechtelijke zaken bevestigd
De zaak betreft een hoger beroep van de raad voor rechtsbijstand tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de vergoeding voor werkzaamheden in twee vreemdelingenrechtelijke procedures niet als samenhangend beschouwde. De procedures betroffen een bodemprocedure en een verzoek om voorlopige voorziening, waarbij de raad de vergoeding wegens samenhang had vastgesteld op € 1.580,74.
De rechtbank oordeelde dat de procedures niet samenhangend waren omdat de voorlopige voorziening buiten zitting was afgedaan en de bodemprocedure ter zitting, waardoor niet voldaan werd aan artikel 11 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr). De raad stelde dat dit een onjuiste uitleg was en verwees naar de nota van toelichting en eerdere jurisprudentie.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de werkwijze van de rechtbank niet bepalend is voor de samenhang en dat de procedures inhoudelijk verknocht zijn omdat ze betrekking hebben op dezelfde problematiek. De vergoeding voor de werkzaamheden in beide procedures is daarom terecht vastgesteld als samenhangend.
Verder verwierp de Afdeling het beroep van wederpartij op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Het hoger beroep van de raad werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van wederpartij ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van wederpartij wordt ongegrond verklaard en de vergoeding voor samenhangende procedures is terecht vastgesteld.