ECLI:NL:RVS:2018:1564
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek kinderopvangtoeslag 2009 wegens ontbreken kostenbewijs
Appellant heeft een voorschot kinderopvangtoeslag ontvangen voor 2009, maar kon niet aantonen dat hij daadwerkelijk kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. De Belastingdienst stelde het voorschot in 2012 al definitief op nihil en handhaafde dit later. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de beslistermijnen van artikel 19 Awir Pro fataal zijn en dat hij wel kosten had gemaakt, onderbouwd met diverse stukken en verklaringen. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de termijnen niet fataal zijn en dat het voorschot reeds binnen de termijn op nihil was gesteld. De aangevoerde stukken en verklaringen boden onvoldoende bewijs van daadwerkelijke kosten, mede omdat contante betalingen niet met kwitanties of geldopnames konden worden onderbouwd.
Verder werd geoordeeld dat de Belastingdienst terecht afzag van het horen in bezwaar omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd die tot een ander besluit konden leiden. Het betoog dat de kosten als schenking moeten worden beschouwd, werd verworpen omdat de regeling vereist dat kosten daadwerkelijk door de ouder zijn gedragen. Het hoger beroep tegen het herzieningsbesluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer had bij herziening nadat de toeslag definitief was vastgesteld.
De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees alle beroepsgronden van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het herzieningsverzoek kinderopvangtoeslag 2009 is niet-ontvankelijk verklaard en de definitieve vaststelling op nihil bevestigd.