ECLI:NL:RVS:2018:1415
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep vreemdeling tegen afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod
De vreemdeling, met haar vier in Nederland geboren kinderen, vroeg om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris werd afgewezen en vergezeld ging van een inreisverbod. Na vernietiging van eerdere besluiten door de rechtbank, stelde de staatssecretaris een nieuw besluit vast dat opnieuw werd aangevochten door de vreemdeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het eerdere besluit van 7 juni 2016 een motiveringsgebrek vertoonde, maar dat het nieuwe besluit van 2 maart 2017 zorgvuldig was genomen met inachtneming van de relevante omstandigheden, waaronder de medische situatie van de vreemdeling, haar psychische klachten, en het ontbreken van een medische noodsituatie op korte termijn.
De vreemdeling voerde aan dat haar uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro, gezien haar gezinssituatie, medische toestand en risico's voor haar kinderen, maar de Afdeling stelde dat de belangenafweging rechtmatig was en dat het algemene belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog.
Uiteindelijk werd het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard, het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 maart 2017 wordt ongegrond verklaard.