ECLI:NL:RVS:2018:1208
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor illegale tewerkstelling vreemdelingen ondanks beroep op meestbegunstigingsclausule
De zaak betreft een boete van €9.000 opgelegd aan appellant wegens het laten verrichten van schilderwerkzaamheden door twee Roemeense vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. Na bezwaar en beroep werd de boete door de rechtbank verlaagd naar €3.000. Zowel appellant als de staatssecretaris gingen in hoger beroep bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat de boete onterecht was omdat de meestbegunstigingsclausule uit het Nederlands-Japans Verdrag zou verhinderen dat voor Roemeense onderdanen een tewerkstellingsvergunning vereist is. De rechtbank en de Raad van State oordeelden dat deze clausule niet van toepassing is op verdragen met de EU en dat de Overeenkomst tussen de EU en Zwitserland prevaleert, waardoor Roemeense onderdanen niet anders behandeld mogen worden dan andere derdelanders.
Verder stelde appellant dat hij als particulier voldoende onderzoek had gedaan naar het bedrijf en dat de boete daarom gematigd had moeten worden. De Raad van State oordeelde dat appellant onvoldoende had gecontroleerd of het bedrijf erkend was, mede gelet op de gebrekkige bedrijfsgegevens en contante betaling. Ook werd het beroep op overschrijding van de redelijke termijn verworpen, omdat de totale procedure binnen vier jaar was afgerond.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van appellant en het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond, bevestigde de boete van €3.000 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €3.000 voor het inschakelen van vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning en wijst het hoger beroep af.