ECLI:NL:RVS:2015:462
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- J.J. van Eck
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks matiging
De minister legde appellant een boete op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank vernietigde het bezwaar van appellant tegen de boete, matigde de boete wegens overtreding van artikel 2 tot Pro € 4.000 en handhaafde de boete wegens overtreding van artikel 15. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, appellant incidenteel.
De Raad van State oordeelt dat de minister bij het opleggen van de boete een discretionaire bevoegdheid heeft die moet worden afgestemd op ernst en verwijtbaarheid. Appellant had een gecertificeerd uitzendbureau ingeschakeld, waardoor matiging van de boete met 25% passend was. Omdat het uitzendbureau zelf een matiging van 50% kreeg vanwege een verkeerde interpretatie van de arbeidsmarktaantekening, was het passend om de boete van appellant ook met 50% te matigen, ondanks dat appellant het verblijfsdocument niet zelf had gezien.
Het beroep van appellant dat het beleid onredelijk en in strijd met het gelijkheidsbeginsel is, wordt verworpen omdat het beleid een onderscheid maakt tussen particulieren en rechtspersonen dat gerechtvaardigd is. De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister en het incidenteel hoger beroep van appellant ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de matiging van de boete en wijst het hoger beroep van de minister en het incidenteel hoger beroep van appellant af.